Tsarmitunturi
RASSTANDAARD LAPINPOROKOIRA
Laplandse rendier hoeder.
Land van herkomst: Finland.
Publicatie datum van de officiële rasstandaard: 8-5-1997.

FCI CLASSIFICATIE:
Groep 5: Spitzen en Oertypen
Sectie 3.4: Scandinavische waakhonden en hoeders, zonder werkproeven.

KORTE HISTORISCHE SAMENVATTING:
Al meer dan honderden jaren hebben de Suomen honden van hetzelfde type als de Laplandse rendierhond als rendierhoeders gebruikt. De goedkeuring van het rassenregister begon in de jaren '50.
Op dat moment werden de huidige Finse Lappenhond en de Laplandse rendierhond nog gezien als één en hetzelfde ras. De Laplandse rendierhond kreeg zijn eigen rasstandaard
op 10-12-1966, aangezien men had vastgesteld dat er twee verschillende types rendierhoeders bestonden.

ALGEMEEN BEELD:
Een middelgrote, hoedende spitshond, duidelijk langer dan de schofthoogte. Hij heeft sterke botten en spieren. De hond is gespierd, nochtans mag hij niet de indruk geven te zwaar te zijn. Het geslacht zou duidelijk waarneembaar moeten zijn. De vacht is aangepast aan het noordpool klimaat. Belangrijke verhoudingen; de lengte van het lichaam is ongeveer 10% langer dan de schofthoogte. De diepte van het lichaam is ongeveer de helft van de schofthoogte.

GEDRAG/TEMPERAMENT:
Volgzaam, kalm, vriendelijk, energiek en bereid te werken. Blaft gemakkelijk tijdens het werken.

HOOFD:
Langschedelig, de snuit is iets korter dan de schedel.
De Schedel: Slechts licht gewelfd licht hellend.
De frontale groef is duidelijk en de wenkbrauwranden zijn welomlijnd. Het aangezicht: Bij voorkeur zwart, maar in harmonie met de vachtkleur.

SNUIT:
De neusbrug is recht. Van bovenaf en in profiel bekeken versmalt de snuit licht naar de neus toe.

LIPPEN:
Strak.

KAKEN/TANDEN:
Sterke kaken en tanden. Schaargebit.

WANGEN:
De jukbeenbogen zijn duidelijk gemarkeerd.


OGEN:
Bij voorkeur donker van kleur, maar wel in harmonie met de vachtkleur. Zijn ovaalvormig en
relatief ver uiteen geplaatst. Ze hebben een levendige, attente en scherpzinnige uitdrukking, tevens is er in de ogen van de teven toewijding en trouw te bespeuren.


OREN:
Staande, spitse oren van gemiddelde lengte, eerder wijd uiteen geplaatst, vrij breed aan de basis. De binnenkant van het oor is overvloedig bedekt met haar, in het bijzonder aan de basis.

HALS:
De hals is sterk en middelgroot van lengte. Er is een geleidelijke overgang naar de schouders. Zonder halskwab (keelhuidvorming).

LICHAAM:
Schoft:  Duidelijk zichtbaar.
Rug:  Sterk en gespierd.
Lenden:  Kort en gespierd.
Croupe:  Vrij lang en licht schuin aflopend.
Borstkas:  De borstkas is diep, lang en ruim, maar niet erg breed. De ribben hebben een  duidelijke boog.
Buik:  Zacht oplopend.

STAART:
De staart heeft een gemiddelde lengte, zet laag aan en is overvloedig bedekt met haar. In rust hangt de staart naar beneden. In beweging wordt hij gehouden in een lichte boog, daarbij mag hij niet over de rug komen. In actie mag de staart ook cirkelvormige bewegingen maken.

LEDENMATEN:
VOORSTE LEDEMATEN (VOORHAND) 
Algemene beschrijving: Krachtig, vastgemaakt aan het lichaam met sterke spieren, toch nog heel beweeglijk. Gespierd en vrij hoekig gevormd. In vooraanzicht recht en parallel.
Schouders:  Schuin aflopend en gespierd.
Ellebogen: Niet echt naar binnen of buiten gedraaid, dicht bij het lichaam,  recht naar achter wijzend.
Voorpoten: Verticaal.
Voorpootgewricht:  Pezig en flexibel.
Voormiddelvoet:  In profiel gezien, licht schuin aflopend, wat een flexibele beweging  mogelijk maakt.
Voorpoten:  Langs alle zijden eerder ovaal gevormd. Ze zijn dicht behaard. De  tenen zijn gebogen, de voetkussens zijn dik en elastisch.

ACHTERSTE LEDEMATEN (ACHTERHAND)
Algemene beschrijving: Hoekig. Van achteruit bekeken parallel en recht.
Bovendij: Vrij lang en breed met goed ontwikkelde spieren.
Kniegewricht: Vooruit gericht, de hoek is duidelijk gevormd.
Onderdij: Vrij lang en pezig.
Spronggewricht: Vrij laag geplaatst, de hoek is duidelijk gevormd.
Achtermiddelvoet: Eerder kort, verticaal en evenwijdig.
Achterpoten: Net als de voorpoten. Bij voorkeur zonder wolfsklauwen.

GANGWERK/BEWEGING:
Vrij, flexibel, moeiteloos en krachtig. Hij kan onvermoeibaar draven. Bij een snelle draf neigt hij naar single-track.

HUID:
Strakke huid zonder rimpels.
VACHT:
De dekvacht heeft een gemiddelde tot lange lengte, is recht, eerder opgericht en ruw. De ondervacht is fijn en dik. Op de hals, borst en op de achterzijde van de dijen is de ondervacht meestal dichter en langer.


Kleur
Zwart in verschillende tinten, ook grijs en donker bruin zijn toegelaten. Lichtere tinten en markeringen dan de basiskleur zijn toegestaan aan het hoofd, de onderste delen van het lichaam en de poten.
Witte markeringen op de hals, borst en poten zijn ook toegelaten. De ondervacht is zwart, grijs- of bruinachtig.

HOOGTE
Ideale hoogte voor reuen 51 cm (± 3 cm afwijking wordt getolereerd)
Ideale hoogte voor teven 46 cm (± 3 cm afwijking wordt getolereerd)

FOUTEN:
Elke afwijking van de voorafgaande punten zou als fout gezien moeten worden. De ernst waarmee naar de fout gekeken moet worden moet in de juiste verhouding staan tot de graad van afwijking.
Niet 'mannelijk' reuen en niet 'vrouwelijke' teven.
Zeer lichte ogen in een zwarte hond.
Oren met slappe uiteinden.
Staart gekruld of gebogen over de rug gedragen.
Zachte, golvende of gladde vacht.
Zonder ondervacht.

ELIMINERENDE FOUTEN:
Bovenvoorbijt of ondervoorbijt.
Hangende oren.
De reuen moeten twee normaal ontwikkelde, volledig in het scrotum ingedaalde testikels hebben.